BFTP - Belgian Federation for Tourist Press | Bestemming België
55735
post-template-default,single,single-post,postid-55735,single-format-standard,ajax_fade,page_not_loaded,,qode-child-theme-ver-1.0.0,qode-theme-ver-10.0,wpb-js-composer js-comp-ver-4.12,vc_responsive
 

Belgian Federation of Tourist Press

Bestemming België

Een geschiedenis van toerisme in dertien etappes 1830-2030

Eindelijk is er een wetenschappelijk, kritisch en historisch boek verschenen over de rijke geschiedenis en turbulente ontwikkeling van het toerisme in ons land. De redactie is onder leiding van de (cultuur)historici Andreas Stynen en Gerrit Verhoeven. Zij schreven ook de interessante inleiding, waarbij de toeristische levenscyclus van de Britse geograaf Richard Butler (1980) centraal staat.

De 14 hoofdstukken zijn geschreven door verschillende auteurs en geven in een chronologische volgorde een verhaal van de geselecteerde toeristische bestemmingen of “plaatsen van herinnering”: gaande van Waterloo (vorm van oorlogstoerisme), de (indertijd mondaine) badplaats Westende-Bad,  de kunststad Brugge (1880), de Maasvallei/Ardennen 1890) … tot een recente kijk op de invloed van de pandemie en de oorlog in Oekraïne op het toerisme (waaruit blijkt dat de overheid nog steeds geen lessen heeft geleerd om het “overtoerisme” op bepaalde plaatsen in te perken).

Tussendoor leren wij meer over de succesvolle Wereldtentoonstellingen in ons land  (in het hoofdstuk 1894 – Oud Antwerpen), het wel en wee van Hofstade-Plage (1910) met de opkomst van het ééndagstoerisme vanuit de grote steden in het binnenland, het Slagveldtoerisme met Flanders Fields (1920)…

Een apart hoofdstuk is gewijd aan het belang, de groei en de neergang (vanaf de jaren ’80) van de VTB (Vlaamse Toeristenbond) (1930) als tegenhanger van de sterk Franstalige Touring Club van België.

Ook de “Belgische” (en Franse) specialiteit van het sociaal toerisme komt aan bod met de “Vakantiekolonies en sociaal toerisme aan de Kust” (1940 – Oostduinkerke) … maar ook hier is men in de dalende fase terecht gekomen van de toeristische levenscyclus.

Een buitenbeentje is “Koloniaal toerisme in Belgisch Congo” (1950 – Stanleyville) met onder meer het belang van SABENA (die er verschillende hotels bezat) en de onvolprezen “Reisgids voor Belgisch Congo en Ruani-Urundi” (eerste uitgave 1952), Met de onafhankelijkheid van Congo in 1960 kwam abrupt een einde aan het (toch wel zeer beperkte) toerisme in deze prachtige en onmetelijke natuurbestemming.

“1960 – Bredene” staat centraal voor het kampeertoerisme aan de Belgische Kust, waarbij ook de verstrengde reglementeringen aan bod komen met talrijke saneringen als gevolg.

Bij het “Bedevaartstoerisme in Banneux (1970)” en Beauring – naar aanleiding van de golf Maria-verschijningen in 1933 – komt het probleem van de commercialisering ter sprake.

De opkomst en groei van het toerisme in de Duitstalige Oostkantons  (2010 – Ostbelgien) brengt ons (wat de identiteit betreft) naar het laatste stukje België.

Het is overduidelijk dat België ooit een top-toeristische bestemming was, vooral met de Kust en de kunststeden.

Elk hoofdstuk eindigt met een aantal suggesties om “meer te lezen”.

Dit vlot geschreven en mooi geïllustreerd boek over de turbulente ontwikkeling van het toerisme in ons land stemt ons gelukkig … het toeristisch erfgoed begint eindelijk een erkenning te krijgen!

Uitgeverij Ertsberg,  2022, €27,50. ISBN 9789464369502

Recensie: Patrick De Groote